‘Pap, ik heb een nieuwe coach’, zegt mijn dochter. ‘Leuk’, zeg ik. ‘En, hoe vind je haar?’ ‘Uuuhm, ze is aardig. En ze is aardig. Ze zegt nooit hoe het moet. Alleen dat alles goed is’. Nu had ik wel gezien dat de nieuwe coach vooral op het bevorderen van motivatie de nadruk legt. Volgens alle toeschouwers aan de kant is dat er alleen genoeg. De kinderen, hoe jong ook, willen óók het beste uit zichzelf én elkaar halen. In coachland zijn er grofweg 2 stromingen te onderkennen; de pampering en motivatiecoach (‘je kan het!’) en de stretch en zweepcoach (‘je kunt het, je weet het alleen nog niet’). Beiden, ik geef het direct toe, bieden hoop. ik verkies toch de tweede stroming. Al staat de stretch misschien wat op gespannen voet met acceptatie en meer zijn/minder doen, ik heb het gevoel dat door een zekere spanning krachten worden aangeboord die je misschien nooit bij jezelf had vermoed. Een coach heeft ook de verantwoordelijkheid dat voor anderen voelbaar te maken. Coachen op het vrijmaken van potentieel lijkt me overigens ook spannender dan uitgaan van de situatie ‘as is’. Ik verwacht dat het team van mijn dochter de nieuwe coach nog wel zal gaan stretchen. Dat potentieel vindt zijn weg toch wel.